HOME

EMAIL INNOXIA

LINKS

GASTENBOEK

STEEN

HEKS VAN DE ESP

Persconferentie op uitnodigng van Gedeputeerde Staten van Drenthe in de

Statenzaal van het Provinciehuis op maandag 18 oktober 1965
----------------------------------------------------------------------

Aanwezig:
de leden van het College van Gedeputeerde Staten;
Mevr. R.M. Buurma-Vredevoogd, de Heer G. Londo;
de chef van de afdeling III der Provinciale Griffie, tevens contactman voor de pers; de Heer H. Postema;
de direkteur van het Provinciaal Museum van Drenthe; de Heer G.C. Helbers;
de conversator van de oudheidkundige afdeling van dit museum, tevens wetenschappelijk hoofdmedewerker bij het Biologisch Archaeologische Instituut der Rijksuniversiteit te Groningen; de Heer J. D. van der Waals;
de Hoogleraar-Direkteur van het Biologisch Archaeologische Instituut der Rijksuniversiteit te Groningen; Prof. Dr. H.T. Waterbolk;

de held van de dag:

schipper Tjerk Vermaning van Hijkersmilde

------------------------------------------

De Heer Tj. Vermaning, bekend verzamelaar van fossielen en praehistorische werktuigen, heeft een vondst gedaan van uitzonderlijke betekenis. Na jarenlang systematisch zoeken heeft hij te Hoogersmilde, op slechts enkele honderden meters afstand van de televisietoren, twee groepen vuurstenen werktuigen gevonden van de Vroege Steentijd, die wijzen op de aanwezigheid van de Neanderthaler of diens tijdgenoten, jager op mammoet, wolharige neushoorn en
rendier, omstreeks het begin van de laatste IJstijd, ca. 55.000 jaar geleden. De werktuigen moeten worden gerekend tot het late agn. Acheuléen.
Uit dit verre verleden was in ons land buiten Zuid- Limburg, tot nu toe slechts één enkel werktuig bekend, een vuistbijl gevonden bij Wijnjeterp (Friesland), op grond waarvan men tot nu toe nauwelijks conclusies dorst te trekken over de
aanwezigheid van mensen reeds vóór de laatste IJstijd. De oudste mensen waarvan tot nu toe vaststond dat zij regelmatig in ons land verkeerden, waren de rendierjagers, die hier omstreeks 15.000 jaar geleden leefden. Thans is het tijdperk onzer voorgeschiedenis driemaal verlengd.

Nadat de Heer Vermaning in het voorjaar van dit jaar zijn vondsten had gedaan,
en deze door Dr. A. Bohmers aanstonds waren herkend als behorende tot het late
Acheuléen, is thans vanwege het Biologisch Archaeologische Instituut der Rijksuniversiteit te Groningen een onderzoek op de vindplaats ingesteld, onder dagelijkse leiding van Dr. J.D. van der Waals, in samenwerking met de Stichting voor Bodemkartering en de Geologische Dienst. Daarbij werden nog een aantal werktuigen in de ongestoorde grond aangetroffen, en werd inzicht verkregen
inzake de ligging van de vondsten in de grond en inzake de geologische ouderdom van de betreffende lagen. De bodem ter plaatse dateert uit de vóórlaatste IJstijd. Nadat de werktuigen waren achtergelaten in het begin van de laatste IJstijd, zijn zij in de loop van dezee laatste IJstijd door vorstwerking in de bodem tot ca. 50 cm diepte weggezakt. Dankzij het feit dat in het plateau van
Smilde het oppervlak in de laatste IJstijd slechts weinig door erosie is aangetast, en het gebied later door veen overgroeid raakte, zijn de vondsten op
slechts geringe diepte na zovele millenia toch ongestoord bewaard gebleven. In totaal zijn ruim 100 werktuigen gevonden, waaronder vuistbijlen, handspitsen, schrabbers en schaven. De werktuigen verkeren in uitmuntende toestand.
Hoewel de Heer Vermaning tot nu toe nooit één stuk uit zijn verzameling verkocht heeft, heeft hij thans in rijp beraad besloten deze vondsten aan de Provincie te verkopen, ter plaatsing in het Provinciaal Museum van Drenthe. Daardoor zal het hem mogelijk zijn een groter schip aan te kopen, waarin hij zijn uitgebreide collectie op passende wijze kan tentoonstellen, om daarmede scholen en in het
vakantieseizoen, toeristische centra te bezoeken. In dit museumschip zullen afgietsels de vondst van Hoogersmilde vertegenwoordigen.

--------------------

 

 

 

 

 

 

"R A P P O R T"
================

(Getuigeverklaring: mevrouw Jansen-Jillings)
____________________________________________

Ik, Johanna-Jillings, sinds 1963 weduwe van wijlen Gerhardus Jansen; geboren op 18 september 1901 te Sneek (Friesland). Wettige moeder van Gerharda Johanna Vermaning-Jansen en schoonmoeder van Tjerk Vermaning, verklaar naar volle waarheid in de morgen van 't jaar 1975 aan de Paradijsweg te Meppel, het volgende te hebben waargenomen op't schip van m'n schoonzoon;

----------

In de morgen van de 18e maart 1975, (het zal tussen elf uur en half twaalf zijn geweest), kwam ik uit de kajuit van mijn scheepje dat toen pal achter 't schip van mijn schoonzoon lag gemeerd, aan de Paradijsweg te Meppel. Ik zag tegenover het schip van mijn schoonzoon Tjerk Vermaning een grote
blauwgekleurde boevenwagen van de politie staan. Ook zag ik een aantal mannen staan, waarvan ik direct vermoedde dat ze wel eens van de politie konden zijn ! Ik dacht, wat zouden al die mannen bij het schip van Tjerk moeten doen en wat
moeten ze met die boevenwagen ? Dus dreef de nieuwsgierigheid mij in hun richting. Ik liep op de mannen toe en zag juist dat er iemand (ik wist nog niet wie), in de boevenwagen werd gesmeten. Toen ik bij de mannen was aangekomen, vroeg ik hun: "Heren, is hier misschien een ongeluk gebeurd ?". Eén der rechercheurs zei toen direct: "Nee, hier hebben ze stenen vervalst !" Mijn eigen schoonzoon, die zo eerlijk is als goud en dus zeer goed kennende, werd hier dus beledigd ! Ik trok direct partij voor hem door te zeggen: "dat liegen jullie!, dat kan niet !"
Op het zelfde moment, dat ik nog met die mannen praatte, stapte er een nog jonguitziende man met volle baard en een ouderwets brilletje op zijn neus, op het schip van mijn schoonzoon. Hij stapte op brutale wijze maar zo gelijk het stuurhuis binnen en daalde toen direct de trap af naar de woonruimte (kajuit). Dit vond ik overdreven brutaal en dacht, wat zou dat voor een rare snuiter zijn ? Wat moest die vent bij mijn schoonzoon in zijn schip doen; er was niemand thuis. Omdat ik dit uitermate vreemd vond en vooral "brutaal"en omdat ik hem beslist niet vertrouwde, ging ik die ongewenste indringer direct na. Toen ik ook de woonruimte binnenkwam, zag ik, dat deze vreemde figuur op zijn knieën lag, vlak voor een in de scheepswand ingebouwde dressoirkast aan
stuurboordzijde. Op het moment dat hij mij zag, zei de persoon ineens: : waar kom jij weg ?" Dit vond ik nog brutaler, ik zei gelijk daarop: "maar wat doe jij
hier ?" Hij gaf geen antwoord ! Hij nam uit een der kastjes van het dressoir een groenachtig gekleurde doos, waarin (dat wist ik) mijn schoonzoon, voor hem, erg kostbare prehistorische werktuigen bewaarde. De nog onbekende figuur, deed het deksel van de doos open en nam daaruit een fraaie driehoekige vuistbijl en zete de puzzeldoos met verdere inhoud op tafel neer. Hij wierp de fraaie oude vuistbijl met fors gebaar over de tafel heen zodat het kostbare stuk met een smak op de vloer terecht kwam. Hij riep met luide stemL "Hier heb ik al een bijl !" Hij riep dit tegen enige rechercheurs die eveneens in de woonruimte van het schip waren binnengedrongen en nu bezig waren deuren te forceren, d.w.z. uit de scharnieren te nemen. Hij liet het kastje aan de stuurboordzijde openstaan en gelijk ging hij naar een klein nachtkastje dat in het midden van het woonvertrek stond en waarin mijn schoonzoon brieven en dergelijke stukken bewaarde. Op eveneens zeer brutale en ongepaste wijze nam hij de brieven uit het kastje en ging ze keurig netjes zitten lezen, als waren ze allen aan hem geadresseerd ! Toen ik zag dat hij ook nog de brieven ging lezen, werd ik spinnijdig en riep: "Wat doet U daar nu weer ? dat zijn de brieven van mijn kinderen !" Ook toen gaf hij me geen antwoord. Hij ging opstaan en liet het deurtje van het nachtkastje openstaan. Ik werd nu werkelijk kwaad en riep: "heb je misschien ook wat gepikt ?" en gelijk keek in in de blauwgekleurde tas van spijkerstof die hij bij zich droeg en die hij op een stoel had neergezet. Hij greep me met een ruk de tas uit handen en schreeuwde: "Blijf van die tas af !"
Ik dacht wat is dat toch een rare en vreemde snuiter, hij sneupt hier alles na en ik mag niet eens zijn tas zien ! Omdat hij zo abnormaal vreemd, brutaal, lomp en onopgevoed deed, dacht ik, dat kon wel weer zo een universiteitsstudent zijn. Ik dacht, misschien is het wel een universiteitsstudent in "ontgroeningstijd", die van de hoogleraar opdracht heeft gekregen, bij Vermaning onaangekondigd het schip binnen te dringen. Studenten doen altijd zoiets vreemds in "ontgroeningstijd". Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Het was ook zo een rare figuur! Plots schoot me iets te binnen. Hij had een vuistbijl over de vloer gesmeten met de uitroep 'hier heb ik al een bijl! ' hij moest dus enig verstand hebben van stenen ! Zou het misschien een archeolooog zijn uit Groningen ?? Toen dacht ik aan Stapert. Ik had mijn
schoonzoon Tjerk wel eens gehoord over deze vreemde student, die in het jaar 1970 het doorgesleten zitvlak van zijn oude versleten spijkerbroek zelf had dichtgenaaid met zwart stopgaren. En dus vroeg ik hem: "bent U misschien Stapert ?" Hij gaf direct daarop ten antwoord: "ik vraag jou toch zeker ook niks !" Hij ging me voorbij naar het echtelijk slaapvertrek van het echtpaar Vermaning. Hij tilde de dekens op en het bed en ik dacht, wat krijgen we nou ? zou hij het bed op willen maken of zou hij gaan slapen ? Toch realiseerde ik mij dat dit wel eens géén "ontgroeningsgrap" kon zijn. Wat moesten anders die rechercheurs daarbij ? en die overvalwagen ?, en waar was mijn dochter Grada gebleven ? Ik vroeg de rechercheur, die nog steeds bezig was de deur te forceren van het slaapvertrek van mijn kleinzoon: "Mijnheer, wat is
hier nu eigenlijk aan de hand ? " De rechercheur zei: "hier zijn stenen vervalst !" Ik zei: "Beste man, hier is niets vervalst !" De rechercheur gaf geen antwoord. Na korte tijd verlieten ze het woonvertrek. Ze gingen weer de trap op naar boven, naar het stuurhuis. De rechercheurs die buiten waren gebleven, hadden inmiddels de "ruimluiken" opengesmeten. Het was dezelfde rechercheur, die
eerder met Stapert het woonvertrek had doorzocht, die nu met Stapert het scheepsruim binnen ging om stenen te zoeken. Eer Stapert en de rechercheur de trap gingen afdalen naar het ruim van het schip. snauwde Stapert tegen mij: "en jij blijft hier !" De twee heren gingen direct op de grote collectie toe van mijn schoonzoon Tjerk, die in het ruim lag opgeslagen. Ze gingen op zeer onhandige, ondeskundige en zeer ruwe wijze met de kostbare collectie om. Dozen met inhoud werden eerst doorzocht en daarna aan de kant gesmeten en hetzelfde gebeurde met plasticzakken met inhoud, werden zonder pardon opzij gegooid en daardoor beschadigd. Omdat ik niet binnen mocht, stond ik in het gangboord, boven het open luik, de vernieling gade te slaan. Wat de heren dachten nodig te hebben, werd aan de kant gezet. Dit waren enige dozen en plastic zakken met inhoud. Na enige tijd verlieten de heren de, in zeer 'wanordelijke staat' verkerende en beschadigde collectie uit het voorruim. Daarna beproefden de heren hun geluk op de jacht naar "valse stenen" in enige grote baalzakken met oude kranten, die in het midden van het ruim lagen opgeslagen, en die mijn kleinzoon (Tjerk jr) bij de mensen had opgehaald voor de "schoolactie". Natuurlijk vonden de heren niets ! Het hele ruim lag letterlijk bezaaid met oude dagbladen en niets werd weer in de zakken gestopt ! Toen kwam Stapert op een, voor zijn doen, geweldig idee! Hij had gezien dat vlak voor de trap in het scheepsruim, wat gras en ander vuil op een hoopje lag bijeengeveegd. Dat leek hem erg verdacht ! Hij nam een plastic zakje en deed daar alles in. Dit was niets anders dan wat gras en vuil van een schoongemaakte grasmaaimachine die mijn schoonzoon kort daarvoor had schoongemaakt op deze plaats ! Daarna ontdekte Stapert nog een "Buismans G.S. koffiestroop bus" met zeer verdachte inhoud. Dit waren een paar velletjes schuurpapier, die mijn schoonzoon enige tijd daarvoor gebruikt had voor het schuren en lakken van een teakhouten lichtkap van het schip. Verder zat nog in de bus wat gereedschap. Belachelijk gewoon, maar dát was deze paljas niet kwalijk te nemen. In de machinekamer werd maar kort verbleven en daaruit werd ook niets meegenomen. Daarna verlieten ze het scheepsruim en gingen de heren naar het voorschip. Hier werd het ijzeren klapluik geopend en het was Stapert die als eerste naar beneden ging. De rechercheur bleef halverwege op het steile trapje of laddertje staan en maakte ook geen beweging om nog verder af te dalen. Ik kreeg daardoor de indruk dat de rechercheur iets uitvoerde wat hij eigenlijk beslist niet mocht doen, dat was me al eerder opgevallen, bij het doorsnuffelen van het woonvertrek en van het scheepsruim. Het was me ook opgevallen dat de rechercheur haast al het zoeken en snuffelen door Stapert liet uitvoeren en telkens weer heel schuchter om zich heen bleef zien.
Zo ook in het voorschip ! De rechercheur bleef in het luik hangen en ging dus niet naar beneden. Tenslotte was het Stapert weer, die uit het luik tevoorschijn kwam nadat de rechercheur zich uit het luik had teruggetrokken. Stapert had iets in zijn handen, dat hij uit het voorschip had meegenomen, maar wát, dat kon ik niet zien, ook niet wat hij in de tas bij zich droeg uiteraard !

Ze liepen nu vanaf het voorschip door het gangboord weer terug naar het ruim en gingen nu opnieuw bij de trap neer om de dozen en de plastic zakken die ze gereed hadden gezet op te halen. Tenminste, dat was mijn vermoeden. Al gauw bleek mijn vermoeden juist te zijn want de dozen werden tot aan de trap gebracht en Stapert gaf ze boven bij de trap aan de rechercheurs die daar in het gangboord stonden. Stapert gaf aan de rechercheurs met de volgende uitroep te kennen: "Zet maar in de auto !" Ik zei: "Ho, dat gaat zomaar niet !, dat zijn Tjerk zijn stenen !" De onbeschoften gaven geen antwoord en gingen rustig door met hun vandalenwerk.

----------------------

Assen, d.d. 7 november 1977
===========================

"Rapport"
------------

(Opgemaakt naar aanleiding van de arrestatie van mevrouw Vermaning)
___________________________________________________________________

Ik, Gerharda Johanna Vermaning-Jansen, wettige echtgenote van Tjerk Vermaning, geboren op 21 mei 1929 te Franeker (Friesland), zonder beroep; evenals mijn man geïnteresseerd in de Archeologie en Palaeontologie, wil in deze korte verhandeling omschrijven op welk een ongepaste wijze ik op 18 maart van het jaar 1975, op ons schip Gerrit-Lucas door de politie van Meppel ten onrechte werd gearresteerd. Aldus naar waarheid omschreven én ondertekend.

-----------------------

In de morgen van de 18e maart van het jaar 1975 omstreeks 11.15 uur stond ik in de kombuis van de kajuit, bij het aanrecht de vaat te wassen. Mijn man Tjerk was nog maar kort daarvoor de deur uitgegaan om de kost te verdienen. Hij was in die tijd nog slijper van grasmaaimachines. Zoals gewoonlijk keek ik door het raam van de kombuis naar buiten en zag dat pal tegenover ons schip, 'n grote
blauwgekleurde arrestantenwagen stopte. Deze wagen stopte vlak voor de Meppeler glashandel, van de firma Kuurman B.V. aan de Paradijsweg. Ik had deze wagens wel vaker gezien, toen we eerder op Smilde lagen met 't schip. Ze reden meestal met geïnterneerden van en naar de strafkolonie "Veenhuizen".
Uit de wagen stapten een aantal mannen naar buiten. Ik schat zo'n zes of zeven
mannen. Ze stapten uit het midden van de wagen én uit de cabine en staken allen de weg over in de richting van ons schip. Ik dacht, hé, wat moeten al die mannen ?? Plots drong het tot me door. Zouden het ook politiemannen zijn ? Misschien heeft mijn man Tjerk wel een verkeersongeluk gekregen ? Hij was nog maar net de deur uitgegaan ? . Geheel overstuur van schrik snelde in vanuit de kombuis de trap op naar 't stuurhuis en rukte gelijk de deur open ! Vóór ikzelf nog maar 'n woord kon uitbrengen, vroeg een van de mannen mij (die in 't gangboord stond): is U mevrouw Vermaning ?". Ik gaf direct ten antwoord: "Ja, dat ben ik!" De man die in het gangboord stond, zei toen: "wij zijn van de politie, wij moeten huiszoeking doen, want jullie hebben de stenen vervalst!" Ik zei toen:"Gelukkig, Tjerk heeft dus niet 'n ongeluk gehad?". De politieman zei direct daarop: "niks ongeluk, Uw man Tjerk hebben we al ! die zal al wel rustig op 't politiebureau zitten." Ik vroeg toen: "Heeft U 'n bewijs dat U het schip mag
betreden en dat U huiszoeking mag verrichten ?" Hij toonde mij tussen duim en
wijsvinger z'n "Politiesignet" waar z'n hoofd op stond en zei: "kijk, wij zijn van de politie !". Ik zei toen: "Heeft U geen ander bewijs, dan alleen dat
kaartje ?" De politieman zei toen weer: "daar hebt U niets mee te maken, U hoort 't wel!" Toen maakte ik me inwendig kwaad over deze lompe brutaliteit. Ik
gelaste hun direct 't schip te verlaten, doch in plaats daarvan werden de heren
nog brutaler. Ze duwden mij terzijde en stapten zo pardoes het stuurhuis binnen. In het stuurhuis stonden nu twee rechercheurs. Plots stopte er nog een wagentje achter de blauwe arrestantenwagen; daaruit stapten nog eens twee politiemannen in uniform, van de Meppeler politie !
Nadat de agenten in uniform even hadden gepraat met de agenten in burger die nog aan wal stonden, stapten ook de twee agenten in uniform op 't schip, tot vóór de deur van het stuurhuis. Toen zei ineens de rechercheur, die ik kort daarvoor had geboden het schip te verlaten: "Als U gehoorzaam is, dan kan U op Uw schip blijven, anders moeten we andere maatregelen nemen !" Toen werd ik werkelijk woedend. Zij behandelden mij op m'n eigen schip als was ik 'n kind die de vader moet gehoorzamen. Ik zei briesend van woede: "en nu als de bliksem van m'n schip af, opgedonderd !" Maar dat brokje eten kwam helemaal in 't verkeerde keelgat. De rechercheur die steeds het woord had gevoerd, kreeg ineens enorm veel lef, nu hij zag assistentie te hebben gekregen van de twee agenten in uniform. Ik kreeg ineens 'n enrome opstopper in m'n rug, zodat ik snakte naar adem en direct daarop nog een en nog een ! Ik werd letterlijk de deur van 't stuurhuis uitgestompt ! Even dacht ik aan de knechten van Hitler, aan de Gestapo of de Grünpolizei, die hadden ditzelfde gedaan bij de arme Joden in oorlogstijd ! Ik riep telkens weer: "au, au ! het doet me vreselijk zeer ! laat me los !" Maar daar trokken de heren zich bar weinig van aan; ze stompten maar raak en ik was bijna geradbraakt !
Eén van de twee geuniformde agenten uit Meppel, 'n dikke gezette kerel, maakte het nog fraaier. Hij was werkelijk van plan me uiteen te trekken. Ik werd van uit het stuurhuis, door het gangboord gesleept en met m'n linkerbeen tegen 'n ijzeren scheepsreling geworpen. Dit deed me zo ontzettend zeer, de sterren
schoten me voor de ogen. Toen stond ik aan wal, huilende en hinkende op één been ! Ze waren van plan me de boevenwagen in te smijten. Toen ik me daartegen heftig ging verzetten, begonnen ze weer opnieuw te stompen en sloeg ik ook om me heen. Ik riep zo hard ik kon: "Ik sterf liever dan me als 'n onschuldige mens in 'n boevenwagen te laten smijten !". Toen begonnen ook de sterke armen te jeuken van de andere agenten, want ze kwamen elkaar nu te hulp ! Ik werd nu letterlijk de boevenwagen in geschopt, gestompt en getrapt, de heren Grünpolizei kregen er nu blijkbaar allemaal aardigheid aan. Toen ik in de boevenwagen zat zag ik juist mijn zoon Tjerk junior (15) thuiskomen. Ik hoorde dat 'n politieagent tegen hem zei: "en jij ook mee !", terwijl de agent hem bij de keel greep. Ik zag dat deze nog jonge agent m'n zoon ging mishandelen en zag kans opnieuw de boevenwagen uit te komen om mijn zoon te hulp te komen. Opnieuw werd ik weer de boevenwagen
ingesmeten. Ook mijn zoon Tjerk jr. werd eveneens op hardhandige wijze de
boevenwagen ingezet ! Toen werden de deuren gesloten.
Het was me inmiddels duidelijk geworden wááróm ik op zo'n onaangename en
beestachtige wijze van m'n schip was gesleurd en de boevenwagen was ingesmeten. Ik had gezien dat de Groninger student Dick Stapert uit z'n auto was gestapt en zonder enige toestemming op brutale wijze m'n schip had betreden. Dát was dus de oorzaak van 't kwaad ! De politie had dus al geweten dat Stapert in aankomst was!

"Op naar 't politiebureau"
___________________________

De boevenwagen zette zich in beweging en we reden naar 't politiebureau. Daar
aangekomen werd de wagen voor het politiebureau geparkeerd. Aan beide zijden van de deuringang werden twee politieagenten opgesteld. Daar moesten wij (m'n zoon en ik) tussendoor om als twee misdadigers binnen te lopen. Wij moesten bij de lange trap naar boven lopen en dit koste me de grootste moeite met m'n zere linkerbeen. Ik weet niet hoelang ik er precies met m'n zoon heb gezeten, maar na enige tijd werd in naar onderen gebracht weer met dezelfde trap naar beneden. Hier mochten mijn zoon en ik nu de kamer betreden, waar mijn man Tjerk in verhoor zat. Het eerste wat ik tegen Tjerk zei was: "Tjerk, wat zijn ze nu met ons van plan?" Verders zei ik tegen hem: "Tjerk, Stapert is bij ons in 't schip hoor ! en de politie ook ! en ze hebben mij mishandeld". Tjerk die 'n zware hartoperatie had moeten ondergaanen zich beslist niet mocht inspannen, irriteren of opwinden, was gelukkig erg rustig en niets wees erop dat hij met geweld was behandeld ! Daar was ik tenminste erg blij mee ! Kort daarop hoorde ik dat m'n man Tjerk niet met me mee mocht naar huis. Mijn zoon en ik werden na enige tijd tesamen weer naar huis gebracht.

Bij het schip aangekomen was er één ding dat mij direct opviel.
De deur van het stuurhuis stond wagewijd open terwijl er niemand mee of op in
het schip aanwezig was. De politie had 't schip in onbeheerde toestand
achtergelaten. Ieder had vrij entree gehad. Mijn man hadden dus ons schip met
inhoud moeten afstaan en aan Stapert en aan de politie. Hier is dus duidelijk
sprake geweest van "kaping". Kaping, gepaardgaande met geweldpleging en
mishandeling !

Aldus naar waarheid omschreven/

Gerharda Johanna Vermaning-Jansen.
d.d. 7 november 1977.

 

"ARRESTATIERAPPORT: 18 maart 1975"
===================================

(Betreffende de ware interpretatie over mijn arrestatie)

Ik, Tjerk Vermaning, de schrijver dezer interpretatie, geboren op 18 januari
1929 in de gemeente Staphorst, van beroep grasmachineslijper en amateur
archeoloog-palaeontoloog;
Ik, Tjerk Vermaning wil in deze verhandeling de juiste toedracht omschrijven van
mijn arrestatie op de beruchte 18e maart van het jaar 1975. Hier volgt het verslag, naar volle waarheid geschreven.

---------------------

Op de 18e maart van het jaar 1975 verliet is 's morgens omstreeks 10.45 uur m'n schip (Gerrit-Lucas), toen liggende aan de Paradijsweg te Meppel. Ik verdiende m'n kost met het slijpen van grasmaaimachines en wilde óók die morgen van de 18e maart (zoals gewoonlijk) bij m'n klanten langs. Meer dan twee en een half jaar had ik al in Meppel gelegen met m'n schip. Dit, naar aanleiding van een zeer ernstige ziekte (ik was n.l. tot twee maal toe
getroffen door een hartinfarct) en had daarna op 20 november 1973 'n zware
hartoperatie moeten ondergaan in het Sint Antoniusziekenhuis te Utrecht.
Bloedvaten uit m'n rechterbeen had men moeten transplanteren in m'n hart (open-hartchirurgie), Dat Tjerk Vermaning als één van de weinigen in Noord-Nederland, adertransplantatie in Utrecht had moeten ondergaan, had inmiddels in alle kranten en dagbladen gestaan, zodat én de archeologische wetenschappers uit Groningen én de politiemensen uit Meppel zelf, afwisten van mijn ernstige ziekte en de zware hartoperatie die ik had moeten ondergaan. (zie de eindrapporten van Prof. Waterbolk en Dick Stapert uit 1976).
Ik was dus op die bewuste 18e maart van het jaar 1975 nog herstellende van deze zware hartoperatie en was nog zeer zwak. Mijn huisarts Dr. Frentzen uit Meppel had me ernstig gewaarschuwd me beslist niet in te spannen, op te winden, kwaad te maken, of te irriteren. Dit zou 'n aanleiding kunnen zijn tot vernieuwde ernstige complicaties. Eenzelfde waarschuwing had ik meegekregen van m'n operatiechirurg Prof. Huisman van het Sint Antoniusziekenhuis te Utrecht, na m'n ontslag. Mij was met nadruk opgelegd dat ik rustig en ontspannen moest leven en vooral alle ergenissen moest vermijden.
Met m'n arrestatie in Meppel had ik door schrik en ergenis op slag dood kunnen
zijn. Dit wisten mijn rivalen Prof. Waterbolk en Dick Stapert. Ze wisten dat ik
ernstig ziek was geweest en een zware hartoperatie had ondergaan. Dit staat
duidelijk in hun rapporten. Voor mij staat het dan ook vast dat deze twee mensen mijn dood riskeerden. Een andere verklaring is er niet !

Om nu weer verder te gaan over de arrestatie:
Zoals gezegd verliet ik op de 18e maart 1975 omstreeks kwart voor elf m'n schip
aan de Paradijsweg. Ik reed op een Zünndap bromfiets in de richting van 't
Westeinde te Meppel. Bij de houtvlothaven aangekomen werd ik ingehaald door 'n klein grijs-witgekleurd Dafje van de Rijkspolitie. Dit gebeurde zo tegen elf uur
die morgen. Ze reden me voorbij en met een op en neerbewegende arm uit het
portier maanden ze me tot stoppen. Ik stopte en de agenten kwamen op me toe. Het waren twee nog zeer jonge agenten in uniform. Ze vroegen me naar het verzekeringsbewijs van de bromfiets, dat ik zoals gewoonlijk steeds bij me droeg. Ik overhandigde hen het verzekeringsbewijs en wachtte tot ik weer terug zou krijgen. Ze konden me niets maken; m'n brommer was prima in orde en bovendien droeg ik de valhelm, die toen nog maar net een verplichting was geworden en dus had ik niets te vrezen. Eén van de agenten vroeg me naar het framenummer van de brommer. Dit vond ik overbodig want 't framenummer stond immers ook op 't verzekeringsbewijs. Daar wees ik heb ook op. Toch bood ik de agenten aan zelf de brommer te willen onderzoeken op het framenummer door hen de bromfiets ter hand te stellen. Terwijl we nog over de brommer stonden te confereren, stopte er nog een tweede wagen naast ons. Dit was een lichtgeel gekleurd wagentje met drie mannen in burger-kleding als inzittenden. Eén van de mannen, van middelbare leeftijd, kwam op me toe en vroeg: "Is U Tjerk Vermaning ?, geboren 18 januari 1929 te Staphorst. Ik zei tegen deze man, die ik inmiddels als de heer Hoekstra, hoofd van de politie had herkend: "Waarom vraag U dat ?, U weet toch heel goed dat ik Tjerk Vermaning ben.
Hij mompelde zoiets als "officieel..." Hij vroeg me of ik even mee wilde gaan naar het politiebureau. Dat was 't toppunt. "Waarom moet ik mee naar 't bureau mijne heren, mag ik dat 'ns van U weten ? ...." Daar gaven de heren geen antwoord op. Mij werd niet verteld wáárvoor ik werd meegenomen. Alleen de heer Hoekstra gaf op vrij norse toon ten antwoord: "DAT HOORT U WEL OP 'T BUREAU, STAP MAAR IN !" Ik zei: "Heren dat kan niet, ik kan m'n bromfiets hier maar zo niet onbeheerd langs de weg laten staan. Waar moet ik ermee naar toe?" Toen gebeurde er iets heel belachelijks waarvan ik nooit eerder had gehoord en dat me zeer verdacht voorkwam. Eén van de jonge agenten uit het grijs-witte dafje, die mij 't eerst had aangehouden, bood mij aan m'n bromfiets naar het bureau te rijden, terwijl ikzelf als de eigenaar in de wagen moest plaatsnemen, niet wetende wáárvoor. Dit vond ik toch wel zo'n onuitsprekelijke kolder, zo'n ontzettende kinderachtige aanstellerij, zoals ik nog nimmer van de politie had gezien. Waarom moest de jonge agent nu op mijn bromfiets naar het bureau rijden ? dat kon ik immers zelf wel doen ! Ik werd gedwongen de contactsleutel van de brommer aan de jonge agent te overhandigen. Aan deze opdracht werd aanstonds door mij voldaan. Toen maakte ikzelf nog een grapje tussen de bedrijven door en zei tegen de jonge agent die op mijn brommer had plaatsgenomen: "Agent, U mag niet met 'n politiepet plaatsnemen op een bromfiets; U moet mijn valhelm opzetten !" Ik dacht dat men om dit grapje zou lachen, maar nee hoor, inplaats daarvan werden mij blikken van haar toegeworpen en leek het me maar beter te zwijgen ! Toen zette de stoet zich in beweging. De jonge agent op mijn bromfiets voorop en wij er achteraan. De mensen keken ons na. Het was ook 'n belachelijk gezicht. De agent in uniform met de politiepet op, op de bromfiets, terwijl de eigenaar van de bromfiets in een auto er achteraan reed. Gelukkig wisten de mensen niet dat de eigenaar in de wagen zat.

Onderweg naar het politiebureau drong het tot me door, dat hier beslist iets
anders gaande moest zijn dan controle voor 'n bromfiets. Maar wat ?, wat was er precies gaande ? Alle gedachten spookten me op dat moment door m'n hoofd. Zou iemand aangifte hebben gedaan, 'n verkeerde grasmachien te hebben gekregen ? Of werd ik misschien opgebracht als verdacht van diefstal of inbraak? Ik wist het niet !! Er werden in die tijd in Meppel wel veel inbraken gepleegd en
diefstallen. Meestal was er van de daders geen spoor. Zou men mij nu voor een
van die inbraken hebben aangehouden ? M'n God, ik moest er niet aan denken !
Op het politiebureau aangekomen werd mijn bromfiets door twee agenten in de gang van 't bureau gezet en werd mij de contactsleutel overhandigd. Ik werd direct naar een der kamers gebracht, waarschijnlijk om te worden verhoord. Dit bleek inderdaad juist te zijn. Toen ik de kamer binnenkwam zaten daar nog waarempel drie of vier rechercheurs op me te wachten. Toen begreep ik er helemaal niets meer van ! Ik durfde me nauwelijks meer een denkbeeld te vormen. Het moest maar worden afgewacht !
Eén van de rechercheurs, 'n zekere opper Mulder uit Beilen, zoals later bleek, was belast met 't verhoor. Toen ik had begrepen dat deze man mij 'n verhoor
moest afnemen, kwam ik op hem toe en zei: > Mijnheer, mag ik nu 'ns horen, wat dit allemaal heeft te betekenen ? U maakt mij toch zeker niet wijs dat dit
allemaal nog heeft te maken met controle van de bromfiets, is het wel ?"
Toen zei de heer Mulder het volgende: "Heeft men U dan niet verteld waarvoor U
is aangehouden ?". Ik zei: "Natuurlijk niet, ik weet van niets, men heeft mij
alleen maar staande gehouden op controle van de bromfiets. Daarna hebben de
andere rechercheurs mij meegenomen en beslist niet gezegd waarvoor, terwijl ik
dit nog met klem vroeg." De heer Mulders zei toen vervolgens: "Gaat U maar eens zitten heer Vermaning, dan zal ik U wél vertellen wat er gaande is." En terwijl ik plaats had genomen, zei de heer Mulder het volgende: "Mijnheer Vermaning, er is 'n aanklacht tegen U ingediend. U wordt n.l. beschuldigd in rapportvorm van het doen van vervalsen van twee groepen Midden-Palaeolitische stenen werktuigen van Hoogersmilde 1965 en Hijken 1967, benevens 'n vuurstenen bijlendepot uit het Neolithicum van Ravenswoud en 'n oud-palaeolithisch aandoende vuistbij; uit het Blauwe meer te Hoogersmilde 1967. Omdat U deze stukken verkocht voor "echt" en daar geld voor ontving, is U nu gearresteerd op beschuldiging van vervalsing, gepaard gaande met oplichting."
Toen ik dit hoorde, leek het net alsof ik met spijkers aan de grond was
vastgeslagen. De schrik zat me in de benen en ik ze letterlijk niet bewegen.
Mijn tong lag als verlamd in de mond en hevige pijnen schoten door m'n borst en hartstreek, door m'n armen en vingers' Ik voelde op dat moment weer die
vreselijke angineuze pijnen van vóór de operatie en weer was ik 'n hartinfarct
nabij, dat voelde ik. Toen ik weer wat tot mezelf was gekomen, vroeg ik de heer Mulder: "Mag ik misschien ook weten, wie mijn aanklager is ?". De heef Mulder zei vervolgens: "Het is er niet één, maar het zijn er twee, n.l. Prof. Waterbolk, hoogleraar-directeur van het Biologisch Archeologisch Instituut der Rijksuniversiteit van Groningen en diens medewerker Drs. D. Stapert van dezelfde Universiteit. Wetende wat ik de daaraan voorafgaande jaren al allemaal met Prof. Waterbolk had meegemaakt en wetende dat deze man al jaren lang naar 'n middel of 'n manier om mij kapot of klein te krijgen, gaf ik de heer Mulder het volgende antwoord: "Oh, hebben de heren het langs die weg gedaan !" Met dit antwoord wist de heer Mulder geen weg. Hij had dit niet goed begrepen en vroeg: "Wat bedoelt U daar nu precies mee ?" Ik vertelde hem dat deze man al jaren lang, steeds weer had geprobeerd Tjerk Vermaning klein te krijgen. Dar hielp me echter totaal niets. In de ogen van de politie was ik al een veroordeelde misdadiger, die streng bewaakt diende te worden; daar gaven de heren rechercheurs maar al té duidelijk blijk van. Zo weet ik me nog heel goed te herinneren, dat toen ik 'n plasje moest plegen, ik door twee politiemannen naar 't privaat werd gebracht. Ze hielden me elk bij 'n schouder vast, uit vrees dat ik de vlucht zou nemen !

Omstreeks twaalf uur in de voormiddag van die 18e maart 1975 (ik zat toen al
bijna een uur op 't politiebureau, werd plots m'n vrouw Grada in zeer
overspannen toestand binnen gebracht, huilende als 'n kind en staande (schrik
niet !) op kousevoeten ! Direct daarna verscheen mijn zoon Tjerk junior (15),
die eveneens door de politie werd binnengebracht in totaal overspannen toestand. Toen ik m'n vrouw op de kousen zag staan, voor schandaal tussen de politie in en m'n zoon (nog een kind) door de politie werd binnengebracht,.... kon ik me niet meer beheersen. Ik werd woedend en was in staat 't stelletje opgejutte lafaards aan te vliegen en hen letterlijk de keel dicht te knijpen. Hoe kwader ik me maakte, hoe méér pijn ik in de borststreek leed. Ik was werkelijk 'n bezwijming nabij. Of was dat nu juist de bedoeling van Waterbolk geweest ? Had hij verwacht dat ik het niet zou overleven ! Nu zat m'n hele gezin op 't politiebureau en waarvoor ? Mijn vrouw vroeg mij direct: "Tjerk, heb jij ook klappen gehad ?" Ik zei nee ! hoezo ? waarom ? Dat kon ik niet zeggen; ze hadden mij niet aangeraakt'. Toen zei Grada weer: "Ze hebben mij wél mishandeld en de jongen óók !" Ze trok haar kous uit en op 't scheenbot van haar linkerbeen was een grote leiblauwe plek te zien, zo groot als een handpalm. Ze kreupelde daardoor als een invalide.
Ook m'n zoon Tjerk junior vertelde dat hij pijn leed aan hals en nek. De politie
had hem bijna de keel dichtgeknepen, zo verzekerde hij mij ! Nu was ik helemaal razend geworden; wat 'n stelletje smerige lafaards ! Durfden
ze wel tegen een kind en een weerloze vrouw ? Nu willen ze zich even
verdienstelijk maken en hun sterke arm laten zien door een weerloze vrouw en 'n kind te arresteren én te mishandelen ! Toen zei Grada ineens: "Tjerk, Stapert is bij ons op 't schip, ik heb 'm zelf gezien !" Ze vertelde in 't kort dat er zo omstreeks half twaalf in de morgen van die 18e maart 'n blauwgekleurde boevenwagen voor m'n schip was gearriveerd, met daarin 'n groot aantal rechercheurs en politiemannen in uniform, die met geweld en zonder huiszoekingsbevel zich toegang tot m'n schip hadden verschaft.
Grada had zich tegen deze inbraak verzet en was daarom door de politie van 't
schip afgesleurd en met haar scheenbot tegen 'n ijzeren reling van 't schip
geworpen en op zeer pijnlijke wijze in de rug gestompt. Mijn zoon Tjerk junior
vertelde dat de politie hem terwijl hij net thuiskwam bij de keel had gegrepen
met de uitroep: "En jij ook mee !"...

Nadat ik van 's morgens 11 uur, tot 's namiddags 5 uur van de 18e maart 1975 in verhoor had gezeten op 't politiebureau te Meppel, werd ik omstreeks 5 uur door opper Mulder per auto naar Assen overgebracht; naar 't Gemeentelijk politiebureau. Hier werd ik in een dichte kamer gezet, zonder enige ventilatie
en weinig licht. Er zaten geen ramen in dit vertrek. Waarschijnlijk was het 'n
aresstantencel. Op van de zenuwen en met hevige pijnen in de borst had ik ook
nog honger. Ik voelde me erg wee in de maag ! Vanaf 's morgens 11 uur tot 's middags 5 uur had ik namelijk eten noch drinken gehad. Pas tegen 'n uur of half 7 die avond (ik had toen al anderhalf uur in de arrestantencel gezeten), deed een jonge agent de deur open, en overhandigde mij 'n plastic zakje, met daarin twee kogelharde sneedjes brood, zeer geschikt om er spijkers op recht te slaan én 'n kopje haast koude koffie ! Omdat ik rammelde van de honger, nuttigde ik toch één van de sneedjes brood/Ik dacht, nou als ik als onschuldig mens al keihard brood te eten krijg, wat krijgt dan een ware schuldige voor voedsel ?.
Na 't nuttigen van m'n eerste sneedje brood en kopje koffie, kon ik het tweede
sneedje niet meer door de keel krijgen, daarom klopte ik op de deur en wederom
maakte de jonge agent de deur open. Ik vroeg: "Agent, het brood is zo droog en
hard, is er misschien nog een kopje koffie?" Hij vertrok en bleef geruime tijd
weg. Na ongeveer tien minuten keerde hij terug met 'n glaasje water met de
verontschuldiging: "Er is geen koffie meer !" Ik wist dat hij loog, want bij het
openen van de deur van m'n cel, had ik vlak tegenover m'n vertrek 'n grote
familiekan met koffie op het gasstel zien pruttelen. De koffie werd mij dus beslist niet gegund. Waarschijnlijk had een van z'n superieuren tegen 'm gezegd: "Wat denkt die vervalser wél ! Hij krijgt geen koffie, geef hem maar water !" In elk geval, ik zat nu op water en brood. Enige tijd later verscheen de heer Mulder weer en vroeg me: "Welke advocaat wilt U hebben heer Vermaning ?". Ik zei: "Wat zegt U dáár !, ;n advocaat ?, waar heb ik die voor nodig, dacht U ?. Ik heb niets gedaan en niets misdreven, bovendien is m'n strafregister schoon en het enige wat ik wens is vrijgelaten te worden en dat men mij naar huis brengt. Ik zal dit misverstand zelf wel oplossen !"
Toen zei de heer Mulder: "Ik geloof Mijnheer Vermaning, dat U zelf niet eens
beseft welke aanklacht tegen U is ingediend. Deze zaak komt zeer zeker voor de
rechtbank, dus zou ik U wel adviseren 'n advocaat te nemen." Ik voelde dat de
heer Mulder daar wel 'ns gelijk in kon hebben en dus overwoog ik 'n advocaat te
nemen. Maar welke ? Toevallig kende ik in Assen 'n advocaat. waarvoor ik al
jarenlang de grasmaaimachines had geslepen. Hij behoorde tot een van m'n
klanten. Dit was een zekere Mr. M. G. Doornbos, wonende te Assen. Deze man kwam bij me die avond om de situatie op te nemen. Hij zou m'n advocaat en raadsman blijven tot aan de dag van 't strafvonnis van 6 juni 1977.

Zo tegen half tien in de avond van de 18e maart was het "kinder-bed-tijd"
geworden. Ik werd vanuit m'n opvangcel nu overgebracht naar de kelder van 't
politiebureau en kwam in 'n zwaardere cel met dikke deuren en 'n heel klein
kijkgaatje in de deur. Lucifers en tabak moest ik afgeven, zodat ik ook niets te
roken had en dát was nu juist het ergste ! Ik gevoelde me werkelijk een zware
misdadiger, al wist ik niet meer waarom. Op de vloer van de cel was 'n betonnen krib aangebracht en daar moest ik in slapen. Nou.... slapen ?
De volgende morgen van de 19de maart werd ik weer door de heer Mulder opgehaald en nu overgebracht naar 't Rijkspolitiebureau aan de Beilerstraatweg. Hier werd ik onder politiegeleide binnengebracht en naar een gewoon vertrek gebracht. In deze kamer zaten enige technische rechercheurs, die ik nog niet eerder gezien had en die ik uiteraard niet kende. Achter 'n tafel zat 'n jonge vent (waarschijnlijk zo'n klusjesman), die 'n schrijfmachien hanteerde.
Een van vernoemde technische rechercheurs zei tegen mij het volgende: "Wij
hebben U laten komen heer Vermaning om mede Uw in beslaggenomen collectie uit Uw schip te catalogiseren én inventariseren. U weet beter waar deze voorwerpen vandaan komen dan wij !" Ik zei: "Wat zegt U dáár !", wat hebt U ?, wat hebt U uit m'n schip gehaald ?" "Daar", zegt hij, in de hoek ! Hij wees naar 'n stapel dozen en plasticzakken in de hoek van 't vertrek, die mij zeer bekend
voorkwamen. Toen ik m'n collectie in de hoek zag staan, m'n rechtmatige eigendom, werd ik opnieuw razend. Ik zei: "Smerige gemene dieventroep, wie heeft jullie het recht gegeven bij mij in te breken en m'n collectie te roven ? Ik gelast U op staande voet mijn collectie naar m'n schip in Meppel terug te brengen !" In plaats daarvan lachten de "heren" me in m'n gezicht uit ! Ze zeiden dat ik me maar wat kalm moest houden en medewerking aan de politie moest verlenen bij 't catalogiseren van deze collectie ! 't Liefst was ik ze maar direct aangevlogen, maar wat hielp dat ?, daar maakte ik de situatie alleen maar erger mee. Ik zei: "Wat doet met m'n collectie, of wáár gaat die naartoe ?".. Op deze vraag werd geen antwoord gegeven. Het enige wat ze tegen me zeiden was: "De collectie wordt opgestuurd." Toen wist ik nog niets.
De hele morgen van de 19e maart van 's morgens half tien tot rond 't middag uur, werd besteed aan 't catologiseren van de collectie. Ik moest van alle voorwerpen de vindplaatsen zeggen en alle voorwerpen weren in lijsten getypt door de jonge vent achter de schrijftafel, die ik de "klusjesman" noemde. Tegen een uur of half één waren we klaar met bijna alle voorwerpen. Alleen 'n groene puzzeldoos met 'n twintig midden-palaeolithische artefacten moesten nog worden gecatalogiseerd (dit is de bekende puzzeldoos met de 20 éénheden).
Alle voorwerpen waren in kleinere en grotere plastic zakken verpakt en gereed
gemaakt voor verzending. Maar waar naartoe ? Ik wist het niet. Omstreeks half
één werd ik weggeroepen. Ik moest bij de politiebrigadier Hoekstra komen voor
verhoor en dus gingen de technische rechercheurs verder met catalogiseren van de inhoud van de puzzeldoos.

Ik had nu in bijna 'n volle dag én 'n nacht geen eten en drinken gehad (de twee
kogelharde sneedjes brood, het ene lauwe kopje koffie én glaasje water van de
vorige dag niet meegerekend), en ik rammelde nu van de honger en versmachtte van de dorst. Dit werd blijkbaar de heer Mulder té gortig. Misschien realiseerde
deze zich plots dat ook 'n arrestant nog moet eten. Hij gaf tenminste een van de agenten opdracht, eten voor Vermaning te halen ! Hij vroeg mij of ik zin had in bamie ?. Ik gaf te kennen dat ik daar inderdaad zin in had. Wat kon mij het schelen wat voor eten 't was, als ik maar wat kreeg. En dus kreeg ik bamie en dat smaakte me voortreffelijk.

Daarna begon het verhoor. Dit vergde weer 'n aantal uren. De heer Hoekstra
stelde me vragen over de rapportinhoud van Prof. Waterbolk en D. Stapert van 18 maart 1975. De heer Hoekstra wilde uitleg van mij over de aanwezig zijnde
krasjes en "Machinale" slijpsporen op de door mij gevonden artefacten van de
vindplaatsen Hoogersmilde en Hijken en van de vuistbijl uit 't Blauwmeer, enz,
enz. Omstreeks één uur in de middag van de 19e maart was het nogmaals de heer Mulder, die op vrij geheimzinnige wijze mij een papiertje toestopte met de
woorden: "Kijk Vermaning, dit moest ik U geven." Op het moment dat ik dit
papiertje kreeg, had ik er niet op gelet wat dit eigenlijk voorstelde. Ook had
ik de inhoud niet gelezen. Na 't verhoor door brigadier Hoekstra had ik even de
tijd dit briefje te lezen. Het bleek 'n arrestatiebevel te zijn. De heer Mulder
had mij 'n arrestatiebevel in handen gespeeld. Dat gebeurde nadat ik in Meppel
al op de 18e maart 6 uren; diezelfde avond op 't Gemeentelijk politiebureau te
Assen, van 's avonds omstreeks 6 uur tot de volgende morgen van de 19e maart tot ca. 9 uur en op 't Rijkspolitiebureau, van omstreeks 10 uur tot één uur, vast
had gezeten in verzekerde bewaring. Mijn arrestatiebevel was echter wel op de
18e maart uitgeschreven, althans die datum stond er duidelijk op. Ik kan dit nu
nog tonen. Men had dus gewoonweg vergeten mij bij m'n aanhouding dit
arrestatiebevel te laten zien, zo vol van begeerte was de politie dus om mij te
pakken ! Tegen 11 uur in de avond van de 19de maart 1975 werd ik weer vrijgelaten na het geven van 'n persconferentie in het politiebureau.

Aldus, naar waarheid geschreven en ondertekend;

Tjerk Vermaning..

DAGVAARDING VAN VERDACHTE
_________________________\Parketnummer I 1038/75

Tjerk Vermaning,
geboren te Staphorst, 18 jan. 1929, wonende te Assen, aan boord van het M.S
"Gerrit Lucas", liggende aan de Groenedijk om te verschijnen op 2 febr. 1977 te 9.30 uur ter terechtzitting van de
arrondissementsrechtbank Assen, Brinkstraar 4, teneinde terecht te staan ter
zake dat hij in- of omstreeks eind december 1972- begin januari 1973, althans in het tijdvak, gevormd door de jaren 1969 tot en met de eerste helft van het jaar 1973, in het arrondissement Assen. in elk geval in Nederland, telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechterlijk te bevoordelen, telkens door
middel van een of meer listige kunstgrepen en/of samenweefsel van verdichtsels, telkens de provincie Drenthe, althans het Bestuur daarvan, heeft bewogen tot afgifte van enig goed, of tot het aangaan van een schuld, of het teniet doen van een inschuld, immers heeft hij, verdachte, ten tijde en ter plaatse als voormeld, telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechterlijk te bevoordelen opzettelijk listiglijk en in strijd met de waarheid, telkens een of meer stenen, te weten;

een steen, aangeduid als de Blauwmeerbijl
een steen, aangeduid als de Leemdijkbijl
een steen, aangeduid als de schaaf uit Hijken
een steen, aangeduid als een natuurproduct uit Hijken
een steen, aangeduid als een steenafslag uit Hijken,

geheel of tendele valselijk vervaardigd of doen vervaardigen, dan wel vervalst
of doen vervalsen, en/of ten aanzien van de omstandigheden, waaronder een of
meer van de genoemde stenen werden gevonden een verklaring opgegeven welke geheel danwel gedeeltelijk strijdig was met de waarheid, zulks met de bedoeling van hem, verdachte, te verkoop heeft aangeboden aan de Provincie Drenthe, althans het Bestuur daarvan, door welk een en ander, in onderling verband en samenhang beschouwd, telkens de Provincie Drenthe, althans het Bestuur daarvan is bewogen tot het sluiten van een overeenkomst van koop en verkoop met betrekking tot -onder meer- ** genoemde stenen, en betaling van de totale koopsom ten bedrage van f. 50.000, - althans enige geldbedrag aan hem, verdachte;

Assen, 17 dec. 1976
De officier van Justitie

** onder meer werd pas ingelast in de versie voor "Hoger Beroep" ! 1978;
in 1975 waren het maar 5 stuks !!! (Fred Vermeulen) waarvan 4 stuks juridisch
verjaard in 1975 **(NB. "onder meer- genoemde stenen" op de derde regel van onderen slaat op de ca. 60.000 stenen artefacten; gespecificeerd zijn vijf hieruit, hetgeen 0.003% = 3/10e promille omvat in aantal; hoewel eerlijkheidshalve moet opgemerkt, dat de belanghebbende taxateurs geschreven hebben, uit de totaalcollectie de eerstgenoemde drie..."dan wel bijzonder graag wilden hebben"...en waardeerden op stuksprijs, vermeerderd met de "waardevolle vindplaatsgegevens en vondstadministratie" op een totaalbedrag van f. 2.000,- voor deze drie artefacten.
Gespecificeerd; f. 1.000,- voor Blauwmeerbijl ("Oud-paleolitische vuistbijl")
f. 600,- voor Leemdijkbijl ("Midden-paleolitische vuistbijl")
f. 400,- voor de stukken Hijken ("Midden-paleoliticum")
Over een tiental verder als Midden-paleolitische ingebrachte vondsten bij de
aankoop en taxatie horen wij een summiere vermelding slechts, dat dat
schijnartefacten, natuurproducten, "pseudoartefacten" zouden zijn. Over de
overige bijna 60.000 geen woord meer..., wel veel geschreven en gezegd over de "verjaarde" vondstgroepen Hogersmilde (ca. 127 stuks), en Hijken (ca. 402
stuks), en andere eveneens Midden-paleolitische vondsten.
Ten aanzien van de Leemdijkbijl blijkt, dat deze een permanente glanslaag heeft (onder zes jaar vingerafdrukken !) over de bij de bewerking ontstane vlakken, met name in het voorlopig rapport Gerechtelijk Laboratorium Rijswijk blijkt deze glans--volgens de deskundigen van openbaar ministerie en prof. Bosinski een oudheidskenmerk bij uitstek-- met petroleumether NIET te verwijderen, alleen wat recente vingerafdrukken verdwijnen. In het definitieve rapport van dit Lab. wordt echter expliciet ontkend, dat de "wasproef" geschiedde. Prof. Bolsinski noemt de glans van de Leemdijkbijl kunstmatig, daar deze bij wassen zou verdwijnen. Hij verklaart nader, dat het best vingerafdrukken kunnen zijn, die hij wegwaste. Dhr. Wouters zal trachten aan te tonen, of het schone oppervlak net zo vers is als een versgeslagen facetje aan dezelfde steen. Of de kleur binnen net zo is als buitenop.)

Formeel gaat het er in deze zaak om vijf stenen, die al dan niet zouden zijn
nieuwvervaardigd, waarover eventuele misleidende mededelingen zouden zijn gedaan ten aanzien van de vondstomstandigheden; en bovenal, ze zouden verkocht zijn door een zeker verdachte aan een zeker koper; die de aangifte heeft gedaan. Er is echter nog véél meer aan de hand, en het is de vraag, of dat er wel bij de behandeling van dit hoger beroep uitkomt. Maar laten we eerst eens kijken hoe het zo ongeveer zit met de haalbaarheid van het telastegelegde. Verdacht (Vermaning) zou het Bestuur van de Provincie Drenthe hebben bewogen tot het afsluiten van een koopovereenkomst en het uitbetalen van een geldsbedrag. Dat slaat op een aankoop 1972/73 van ca. 60.000 stenen artefacten uit het bezit van Vermaning. Uiteindelijk werd hier f. 50.000,- voor neergeteld, en er dus nu 5 stenen uitgelicht, die "vals" zouden zijn.

Dat zijn: A: Blauwmeerbijl
B: Leemdijkbijl
C: Hijken schaaf
D: Hijken natuurproduct
E: Hijken steenafslag

De rechtbank Assen vonniste in 1977 op stenen A, B, C en achtte ook bewezen, dat de vondstgroepen Hogersmilde (1965) en Hijken (1967/68) waren nieuwvaardigd, zeg maar vervalst; aldus nog een stevige vijfhonderd stenen toevoegend, waar in de dagvaarding tevergeefs naar kan worden gezocht. De rechtbank achtte kennelijk bewezen, dat "verdachte" Vermaning ook "dader" was van de bewezen geachte "strafbare handelingen", en gaf een jaar voorwaardelijk. Vermaning onmiddellijk in Hoger Beroep.

1972 - Vermaning beëindigd in dat jaar een subsidiebeschikking, waarbij de
Provincie Drenthe het recht van eerste koop bedingt. De hoogleraar-directeur van Biologisch-Archeologisch Instituut van de Rijksuniversiteit te Groningen, en de conversator van de afdeling Prehistorie van het Provinciaal Museum; die tevens straflid is van BAI, tonen zich bereid de expertise te verrichten. In de correspondentie Provincie met deze experts vindt men de zinsneden "Wij zijn
bereid" "De stenen die wij dan wel bijzonder graag willen hebben...(Waarbij we
tegenkomen;) de Blauwmeerbijl, Leemdijkbijl, Hijken schaaf als de drie
meestgewenste voorwerpen ! De expertise wordt derhalve verricht door
belanghebbenden, met geld van de Provincie (waarvoor Koninkijke goedkeuring
gegeven blijkt), uit een collectie, die verplicht te koop is aangeboden.

Uiteindelijk wordt een totaliteit van ca. 60.000 stenen artefacten aangekocht;
verdeeld over meer dan honderd expertisenummers; waaronder A tot en met E
bovengenoemd; waarbij een zeker bedrag wordt berekend voor de nauwkeurige
vondstadministratie. Maart 1975 wordt op nogal spectaculaire wijze bekend gemaakt, dat het met de expertise van bovengenoemde en andere stenen "niet zo goed meer zit" we zien hierbij vooral de hoogleraar van BAI in een nieuwe rol; samen met een jeugdig assistent brengt hij een waslijst van beschuldigingen ten tonele, op grond waarvan Provincie Drenthe al intern door hen is geadviseerd om aangifte te doen wegens oplichting en bedrog, welk "advies" prompt blijkt opgevolgd. Uit getuigenverklaringen en documenten blijkt de 18e maart 1975 een gedenkwaardige dag, we lezen van wat lijkt wederrechterlijke vrijheidsberoving, wederrechterlijk zich toegang verschaffen tot een woning tegen de wil van de bewoner, molest tegen twee personen, huisvredebreukintimidatie, braak, schending briefgeheim, vernieling, roof, openbare smaad en laster zonder mogelijkheid tot verweer etc. Tot op heden is geen onderzoek geweest, zijn geen stappen ondernomen tegen deze alarmerende tekenen van schending en fundamentele rechten. In 1977 zijn rapporten geproduceerd en verklaringen afgelegd door diverse
personen en instanties met klinkende namen. Bij analyse blijkt het aantal
tegenstrijdigheden en onjuistheden en onwaarheden groot. Toch waagde de
rechtbank in Assen op grond van deze rapporten en verklaringen de
tenlastelegging tendele bewezen. Waartegen nu het beroep dient. Strikt juridisch draait alles nu om één steen; B; Leemdijkbijl, daar A,C,D, gevonden zijn vóór de in de dagvaarding genoemde datum 1969. Een artefact, dat bijzonder gewenst was geweest door vooral de bij de zitting aanwezige directeur BAI; deze kan verantwoordelijk worden gesteldvoor het doen aankopen ervan, volgens door hem opgegeven waarde van het voorwerp en de vindplaatsgegevens, verantwoordelijk voor het doen van aangifte, van vele onverkwikkelijkheden om één en ander aan de kaak te stellen, noch vóórkomen. Of het zal komen tot een eerlijk en openbaar onderzoek ernaar is nog maar zeer de vraag. Zal in dezen recht geschieden ??

..|||..Boucher de Perthes..|||..Draagbare erfkeien..|||..Driehoekstenen..|||..Duppen..|||..Fountmaure - Tedde Toet..|||..Gastenboek..|||..Links..|||..Home..|||..Germanen, magie & mysteries..|||..Tjerk Vermaning..|||..Hunebedden..|||.. Trechterbekers..|||..Walther Matthes..|||..Whois..|||..

Volgend artikel